1f4a1

Energiecoöperaties en het nieuwe energiesysteem in 2050

 

bron: Pont ( 2023-2 )
door: Frans A. van de Loo

Energiecoöperaties: sterker naar 2050

De energiecoöperatie kan zelfs uitgroeien tot een professioneel bedrijf

We zijn op weg naar een CO2-vrij energiesysteem in 2050. Er is nu zelfs een Nationaal Plan Energiesysteem 2050. Zie ook
Dat systeem wordt een mix van centraal en decentraal, maar welke rol zullen energiecoöperaties daarin spelen?

Er zijn nu ongeveer 705 energiecoöperaties, ongeveer 2 per gemeente. Dat is mooi, maar de huidige bijdrage aan de energieproductie is bescheiden. De coöperaties produceren samen zo’n 5% van alle Nederlandse opgewekte duurzame elektriciteit, zo’n 2% van alle elektriciteit. Bovendien is de coöperatieve energie volgens de Lokale Energie Monitor 2022 slechts voldoende voor ongeveer 5% van alle huishoudens. Daar valt nog wat te halen, zeker als je bedenkt dat straks alle elektriciteit duurzaam zal zijn, nu is dat nog maar zo’n 40%.

In het Klimaatakkoord is wel afgesproken de inzet op coöperatieve energie te versnellen met de afspraak dat in principe ieder nieuw duurzaam energieproject, stroom en warmte, voor 50% eigendom van lokale burgers en bedrijven moet zijn (vanaf 2019). Stel dat we dit voor alle nieuwe projecten weten te realiseren dan zou de coöperatieve stroom naar schatting goed kunnen zijn voor zo’n 4 miljoen huishoudens, dat is 50% van alle Nederlandse huishou­dens. Zelfs dan is de bijdrage dus beperkt.

Dus: wat wordt de rol en omvang van de energiecoöperaties in het Energiesysteem 2050?
Wat willen de energiecoöperaties betekenen, wat willen ze bereiken? Een aantal ontwikkelingen tekent zich af.

LOKAAL PLATFORM
In iedere gemeente kan je nu kennismaken met het gedachtegoed van de energiecoöperatie en je melden om lokale eigen energie af te nemen. De liefhebbers zullen dat doen, maar ongetwijfeld niet iedereen. Lokale eigen energie is een optie, coöperatieve stroom kan je kiezen als product naast bijvoorbeeld groene en grijze stroom.
Iedere locatie een energiecoöperatie: misschien zijn we daar wel mee tevreden?
Energiecoöperaties zijn dan belangrijk als lokale aanjager van de energietransitie. Ze gaan zich, naast de realisatie van wind- of zonne-projecten, richten op de lokale warmtetransitie en op energiebesparing. Ze kunnen zich zelfs verder verbreden tot duurzaamheid in brede zin. Betuwind legt bijvoorbeeld een voedselbos aan en bouwt zo een relatie met duurzame landbouw. Energiek Leiden gaat met de gemeente een meerjarig programma rond duurzaamheid in de stad uitvoeren.

==> De coöperatie groeit zo uit tot een lokaal platform voor energie­ transitie of duurzaamheid, een knooppunt dat lokale activiteiten verbindt en stimuleert. Als je lokaal iets duurzaams wil starten, neem je contact op met de lokale coöperatie. Het accent ligt dan niet zozeer op de realisatie van wind- en zonneparken.

REGIONAAL NUTSBEDRIJF
De energiecoöperaties leveren een bijdrage aan de huidige duurzame elektriciteit. Doorgaans verkopen ze hun opgewekte stroom aan een energieleverancier of andere marktpartij - ze zijn dus eigenlijk productiebedrijven van duurzame energie.
Vaak kunnen de leden vervolgens groene stroom inkopen van dezelfde energieleverancier, waardoor ‘virtueel’ van ‘eigen stroom’ gesproken kan worden. Van directe levering van eigen stroom aan coöperatieleden is nog geen sprake.
Op die weg kunnen energiecoöperaties doorgaan. Er is veel duur­zame energie nodig, wil onze stroom en warmte in 2050 voor 100% duurzaam zijn. Volgens het Nationaal Plan Energiesysteem 2050 moet dat voor stroom zelfs al in 2035 gelden. Nu is dat 40% van alle stroom en 15% van alle energie.
We hebben dus tweeënhalf keer zoveel wind- en zonproductie nodig, nog afgezien van de verdere elektrificatie van verwarming, vervoer en industrie.
Zoals gezegd produceren energiecoöperaties nu rond 2% van alle elektriciteit.
Wil de productie van de energiecoöperaties straks relevant zijn, dan zal op enige manier schaalvergroting en verdere professionalisering nodig zijn.
Lokale energiecoöperaties zouden uit kunnen groeien of zich kunnen bundelen tot regio­nale energiebedrijven. We zijn dan als het ware weer terug bij het vroegere nutsbedrijf, lokaal of regionaal, herkenbaar en publiek eigendom.
Er zijn al ontwikkelingen in die richting: Deltawind is van oudsher een voorbeeld, als professioneel coöperatief ener­giebedrijf op Goeree Overflakkee, de productie komt ongeveer overeen met het stroomgebruik op het eiland. De Windvogel, Rijnland Energie of Betuwind zijn andere regionale voorbeelden.
Coöperatieve productie zou zelfs ook op zee kunnen plaatsvin­den. Coöperaties zouden als partij kunnen deelnemen in een consortium dat een windpark bouwt, of mogelijk zelf een eigen burgerconsortium kunnen vormen. Energie Samen verkent die mogelijkheid in het project ONS, Onze Noordzeestroom. Wind op zee is weliswaar geen lokale productie, maar wel coöperatief.
Dat coöperatieve element staat in deze ontwikkeling centraal, er geldt: ‘Lokaal wat kan, landelijk wat moet’. Energiecoöperaties zijn dan nuttige duurzame energieproducenten, hun stroom gaat het landelijke net op, ook wel ‘de koperen plaat’ genoemd.

Wat moet dan de ambitie van energiecoöperaties bij deze schaal­ vergroting zijn? André Jurjus, voorzitter van Energie Samen, stelt: ‘We zouden in ieder geval de helft van alle huishoudens moeten kunnen bedienen’. Nu is dat 5% en deze ambitie betekent dus dat de coöperaties tien keer zoveel moeten zien te produceren (in 2035). Een hele uitdaging.

Bedrijven en energiecoöperaties kunnen ook samenwerken

ENERGIEGEMEENSCHAP
Een derde perspectief zijn regionale of lokale energiegemeenschappen. Duurzame energie is overal, dus waarom slepen met duurzame energie, produceer het lokaal waar het nodig is. ‘De gebouwde omgeving zal netto energieneutraal zijn’, stelt het Expertteam Energiesysteem 2050, en vervolgt: ‘Dat hoeft niet echt autark te zijn, we hebben immers een goed stroomnet, maar het is wel zaak vraag en aanbod te koppelen waar dat voor de hand ligt’. Expertteam-lid Annelies Huijgen stelt: ‘Het ziekenhuis in de buurt heeft warmte over, benut dat voor onze woningen; en waarom zouden we allemaal precies om 18.00 uur moeten eten en koken?’ Zo zouden volgens haar slimme, lokale energiesystemen kunnen ontstaan, die op wijkniveau in de behoefte aan stroom en warmte voorzien.
Als we vraag en aanbod lokaal (beter) koppelen wordt een stabie­lere energieprijs mogelijk. Immers, van een gerealiseerd wind- of zonproject ligt de kostprijs voor een reeks van jaren vast. Als we lokaal vraag en aanbod goed op elkaar afstemmen en voor lokale opslag zorgen, hoeven we geen stroom meer in te kopen en zijn we niet meer afhankelijk van de fluctuerende landelijke marktprijs.
Aan dit perspectief werken de lokale coöperaties in het project Local4Local. Onderling stroom- of warmtecontracten afsluiten, vraag en aanbod beter balanceren, minder afhankelijk zijn van het landelijke net, met een stabielere en mogelijk lagere stroomprijs.

Dit kan als energiecoöperatie zelf, maar ook op wijkniveau, en het kan een nog ruimere lokale of regionale vorm aannemen als ‘energiegemeenschap’ waarin coöperaties, bedrijven, gemeenten en andere instellingen samenwerken. Bedrijven hebben toene­mend moeite een netaansluiting te krijgen. Als gevolg zijn ze al bezig ‘energiehubs’ te vormen, waarin ze onderling samenwerken, energie en warmte uitwisselen en vraag en aanbod afstemmen.
Minder energie van het hoofdnet is dan nodig en dat maakt een collectieve aansluiting makkelijker Maar bedrijven en ener­giecoöperaties kunnen ook samenwerken. Betuwind heeft een Watthub-laadstation aangelegd waar ondernemers die tegen netcongestie aanliepen, hun voertuigen nu rechtstreeks met Betuwestroom kunnen opladen.
Bijkomend voordeel kan zijn dat de netcongestie verlicht wordt, zeker als energiecoöperaties, energiehubs en anderen zich bun­delen tot zo’n energiegemeenschap en samen vraag en aanbod op elkaar afstemmen. Enkel de energiecoöperaties zullen de regionale netcongestie niet oplossen. De energiegemeenschap is als concept geïntroduceerd in het Europese energiebeleid en begint zijn plaats ook in de Nederlandse wet- en regelgeving te krijgen. Het is terug te vinden in het Nationaal Plan Energiesysteem 2050, waarin ook een Programma Stimulering Energiehubs wordt aangekondigd.

AAN HET WERK
Voor het zover is, zijn er nogal wat hordes te nemen en vragen te beantwoorden. Directe levering van stroom aan een lokale afnemer is nu nog niet mogelijk. Een energieleverancier moet een leveringsvergunning hebben en aan allerlei eisen voldoen zoals balansverantwoordelijkheid en back-up-inkoop van energie.
Zelflevering aan particulieren is administratief nog niet mogelijk, maar moet dat dan wel worden wil de coöperatie effectief vraagsturing kunnen bevorderen om zo naar een stabiele prijs toe te kunnen werken. Marktmodel en regelgeving moeten daarvoor wel aangepast worden. De stroommarkt is immers veranderd en decentraal geworden en de burger is van consument prosument geworden. Maar deze burger heeft in de huidige regelgeving nog geen duidelijke positie.
Dit alles vraagt om een professionele organisatie, professioneler dan nu vaak het geval is. De energiecoöperatie kan zelfs uitgroeien tot een professioneel bedrijf, en sommige doen dat al: bijvoorbeeld Zeeuwind, Deltawind en Betuwind. Ze groeien dan als het ware uit tot een regionaal nutsbedrijf, zoals die vroeger bestonden.
Maar professionalisering kan ook in de vorm van een (landelijke) netwerkorganisatie. Want: ‘Niet iedere energiecoöperatie hoeft het wiel opnieuw uit te vinden en alles zelf te doen’, benadrukt André Dippell, directeur van om | nieuwe energie. Deze coöpe­ratieve energieleverancier werkt inmiddels samen met tachtig coöperaties, bezit wel een leveringsvergunning en kan daardoor de coöperaties in allerlei zaken ontzorgen. Nu functioneert het bedrijf nog als energieleverancier met in- en verkoop van coöperatieve stroom (of warmte), maar Dippell zou het graag zien uitgroeien tot een servicebureau, dat coöperaties ondersteunt die zelf lokale afnamecontracten met hun leden sluiten en hen direct stroom of warmte leveren.
Bij warmte kan dat al, bij het duurzame warmteproject Duinwijck op Vlieland vervult om | nieuwe energie zo’n servicerol en krijgen de leden de rekening rechtstreeks van de coöperatie. ‘Coöperaties hebben een “machinekamer” nodig om de dingen professioneel te regelen, ze hoeven niet alles zelf te doen’, stelt ook André Jurjus. Laat rond de energiecoöperaties (landelijk) professionele ondersteuning ontstaan.
Enerzijds voor de projectontwikkeling.Energie Samen en een aantal coöperaties bieden nu al bepaalde ondersteuning aan. Anderzijds voor ondersteuning rond de lokale (zelf)levering. De coöperatie zelf kan zich dan richten op lokale kerntaken als matching van vraag en aanbod en eigenaarschap van de productie. En zij kan een lokale motor vormen voor de totstandkoming van energiegemeenschappen.
Lokale balancering van vraag en aanbod staat centraal, maar hoever kunnen we daarmee komen? Landelijk gezien wordt de meeste duurzame stroom op andere plekken geproduceerd dan

De coöperatievorm is een middel, geen doel

waar de grootste energievraag is. Bovendien dekt de landelijke productie van wind en zon door het jaar heen de stroomvraag maar voor 60%. Idealiter zou vraagsturing dit met 40% moeten vergroten. Ten derde produceren energiecoöperaties maar 2% van alle stroom, dus alleen zullen ze niet het verschil kunnen maken.
In groter verband van een energiegemeenschap mogelijk wel.

Local4Local beoogt een stabiele(re) kostprijs, maar ook een lagere: de zogenaamde Kostprijs+. Zal die Kostprijs+ inderdaad lager uitvallen? Dat is nog even de vraag. Schaalvergroting en professionalisering zullen hogere organisatiekosten met zich meebrengen. Ook zullen vraag en aanbod vaak niet helemaal te matchen zijn - dan zal er op bepaalde momenten toch op de markt stroom ingekocht of opgewekte stroom verkocht moeten worden, waarschijnlijk tegen een hogere respectievelijk lagere prijs.
==> Is bij schaalvergroting en professionalisering de coöperatieve ledenorganisatie nog steeds de beste organisatievorm? De afstand tussen organisatie en leden neemt dan waarschijnlijk toe, Delta- wind ervaart het nu al als uitdaging om de leden goed te blijven betrekken. Of is een andere publieke organisatievorm dan beter passend, bijvoorbeeld met aandeelhouders en een (lokale) Raad van Toezicht? Het gaat coöperaties toch immers vooral om lokale herkenbaarheid en grip op sturing van het bedrijf en op bestem­ming van de eventuele opbrengsten. Kortom, om het (gevoel van) eigenaarschap. De coöperatievorm is een middel, geen doel.


AAN DE SLAG
De huidige energiecoöperaties zijn hard en goed bezig, maar moeten zich ook de vraag stellen welke rol ze in het toekomstige energiesysteem willen spelen. ‘Eigen energie lokaal’ zal een belangrijk element blijven, maar (verdere) schaalvergroting en professionalisering zijn nodig. Drie mogelijke ontwikkelingsrich­tingen zijn hier geschetst. Een aantal energiecoöperaties is goed op weg, maar in de breedte moeten zeker stappen gemaakt worden.
André Jurjus benadrukt dan ook: ‘Local4Local heeft potentie en die moeten we wel waarmaken, dat is cruciaal voor de energiecooperatie-sector. Met een stabiele prijs wil iedereen straks wel lid worden’. Aan de slag dus ■

 

  • .